‘Er wordt snel en ruim ingezet, dat is prima als de situatie ernstig is’

Ambulanceverpleegkundige
Arwin van der Meer
Witte Kruis Ambulancezorg / RAV Noord-Holland Noord

In gesprek met: Arwin van der Meer

Je bent 18 jaar ambulanceverpleegkundige, dus je herinnert je het tijdperk vóór ProQA goed. Wat is voor jullie in het veld het grootste verschil tussen toen en nu?

“Vóór ProQA handelde de centralist naar eigen inzicht, op basis van zijn of haar specialisatie, ervaring en stokpaardjes. Sommigen waren altijd voorzichtig, sommigen weleens wat overmoedig. Er zat verschil in. Toch ging het heel vaak goed. Feit is dat wij toen véél minder reden onder A1-urgentie. We gingen wel direct op weg, maar met A2. Bijna altijd was dat prima. Sowieso vind ik het verschil tussen A1 en A2 niet zo groot. Er zijn weinig situaties waarin je met A1 écht levens redt, zoals een reanimatie of een niet loslatende placenta. Voor bijna alle andere casuïstiek hebben die paar minuten verschil nauwelijks invloed op de uitkomst.”

Maakt dat jou een voorstander van ProQA of niet?

“Deels. ProQA is een doctrine die uitgaat van het idee ‘Er gaat iemand dood, totdat het tegendeel bewezen is’. Er wordt dus snel en ruim ingezet. Dat is prima als de situatie ernstig is. Vroeger stond je bij grote incidenten weleens te wachten op assistentie en had je graag gewild dat er eerder was doorgevraagd. Dat komt nu niet meer voor. ProQA is proactief. Maar nu zien we in de praktijk dat we vaak onnodig met grote spoed onderweg zijn. Te vaak naar mijn idee. Dat is het nadeel van een doctrine: de centralist heeft niet de gelegenheid om nuance aan te brengen. Die moet zich aan het systeem houden. Een systeem dat in mijn optiek niet redeneert vanuit de patiënt, maar vanuit risico’s uitbannen voor de meldkamer. Daar hebben wij last van en de samenleving ook. Wij rijden dagelijks met onterechte spoed door een drukke stadskern, we jagen het verkeer in de stress, we benutten schaarse capaciteit, terwijl wij op basis van de melding vaak vermoeden dat het zo’n vaart niet loopt.”

En blijkt dat dan te kloppen?

“Bij het overgrote deel van de A1-ritten gaan we kalm met de patiënt naar het ziekenhuis. Dan kunnen er twee dingen aan de hand zijn: óf er wordt door ProQA te hoog ingezet, óf wij zijn zo goed in ons werk dat we de bedreigde patiënt bijna altijd ter plekke weten te stabiliseren. Dat laatste zou ik graag geloven, maar ik denk dat het niet zo is.”

Leg eens uit wat je bedoelt met: het systeem redeneert niet vanuit de patiënt?

“Een voorbeeld. ProQA vraagt op zeker moment: Is de patiënt wakker? Even later komt nogmaals die vraag, maar dan iets dwingender: Is de patiënt helemáál wakker? Een melder voelt onbewust dat dit een zwaarwegende vraag is en zal vaak zeggen: Nou, hij is denk ik toch een beetje suf. En dan hebben we een A1 te pakken en spoeden wij ons weer door de stad. Terwijl iedereen die zich ziek voelt een beetje suf oogt. Het andere triagesysteem dat we in Nederland kennen, NTS, heeft daar een prima alternatief voor. Die centralist vraagt: Mag ik de patiënt zelf even spreken? Een geoefend klinisch oor haalt daar vervolgens een schat aan informatie uit. ProQA neemt weliswaar de melder heel serieus, maar heeft de voorkeur voor een ‘tweedehands’ melder, in plaats van de patiënt zelf. Daar wordt de geboden zorg niet per se beter van, vind ik. Dat zou wel het doel moeten zijn.”

Zou je terugwillen naar de oude situatie?

“Niet volledig. ProQA heeft sterke kanten. Er is geen willekeur meer op basis van personen. De geboden zorg is altijd identiek. Ik vind het wel star ingericht, zowel de vraagstellingen als de urgentiecodes. Ik weet dat de codes naar voortschrijdend inzicht worden aangepast, ik heb daar zelf vorig jaar aan mogen meewerken. Dat is goed. Maar als ik het mocht bedenken, dan zouden we in Nederland altijd dezelfde zorg moeten bieden, onafhankelijk waar de melder zijn of haar zorgvraag neerlegt.”

Verklaar je nader.

“Stel, je hebt een bloedneus en je belt de Huisartsenpost. Dan krijg je een instructie om te snuiten, goed af te drukken en over een kwartier te kijken of het nog bloedt. Is dat het geval, dan moet je terugbellen en mag je eventueel naar de Huisartsenpost komen. Bel je met diezelfde bloedneus naar een ProQA-meldkamer, dan krijg je de vraag: Is het een levensbedreigende bloeding? Je zegt ja, want anders had je niet gebeld. In ProQA wordt dat een A1-inzet. In dertig jaar spoedzorg heb ik nog nooit iemand gezien bij wie een bloedneus levensbedreigend was. ProQA beoogt willekeur uit te bannen, maar willekeur is nog levensgroot aanwezig, afhankelijk van waar je naartoe belt. Terwijl veel mensen niet weten wie ze moeten bellen in welke situatie. Wat ik daarom mooi zou vinden, is een andere opzet waarbij je met alle gezondheidsklachten één nummer kan bellen, met een frontoffice voor de heel duidelijke casuïstiek – ‘mijn pillen zijn op’ of ‘persoon ademt niet meer’ – en een backoffice als er nuancering en maatwerk nodig is.”