PROTOCOL

Blijf verbetersuggesties doorgeven!

Urgenties bij buikpijn en pijn op borst afgeschaald

Buikpijn en pijn op de borst zijn lang niet altijd levensbedreigend. Onder sommige omstandigheden zijn ze dat zelfs vrijwel nooit. Voor de meldkamers van Den Bosch en Bergen op Zoom is dat reden geweest om de urgentie behorend bij enkele besliscodes af te schalen van A1 naar A2. Naar verwachting wordt dit elders overgenomen.

De buikpijnbesliscodes van protocol 1 op Charlie-niveau (1-C-4, -5 en -6) leiden sinds enige tijd in Brabant en Zeeland tot een inzet onder minimaal veilige urgentie A2: wel rijden met spoed, maar zonder signalen. Officieel betreft het nog een experiment, al daterend van vóór de corona-uitbraak. Maar Medisch Manager Ambulancezorg en SEH-arts Harm van de Pas heeft het experiment al die tijd niet teruggedraaid en ziet daar ook geen aanleiding meer toe. “Buikpijn is er in vele soorten en kan duiden op een ernstige onderliggende toestand van de patiënt, zoals een aneurysma of buitenbaarmoederlijke zwangerschap”, legt Harm uit. “In de praktijk is echter gebleken dat dit bij de codes op Charlie-niveau niet aan de orde is. Bij potentieel levensbedreigende situaties is nooit alléén sprake van buikpijn. Er zijn altijd ook bijvoorbeeld kenmerken die duiden op lage bloeddruk en/of een afwijkende ademhaling. Dit komt dan ofwel bij de uitvraag naar voren, ofwel de hoofdklacht is een andere dan buikpijn.” Na de aanpassing heeft Harm wekelijks in de gaten gehouden of bij de genoemde besliscodes een A1-urgentie soms wellicht toch passender zou zijn geweest. “Zo’n situatie ben ik niet tegengekomen.”

Steeds scherper afgesteld De verbetersuggestie kwam naar voren uit feedback van centralisten en rijdienstmedewerkers die structurele overtriage zagen bij dit type meldingen. Harm drukt dan ook iedereen op het hart om dergelijke feedback te blijven geven. “Door de jaren heen wordt ProQA door de bijdragen van ons allemaal een steeds beter, scherper afgesteld systeem. Een beslissing als deze kun je pas veilig nemen op basis van diepere praktijkervaring met de protocollen.” Overigens staat het de centralist altijd vrij om bij twijfel, of wanneer hij/zij buiten de protocoluitvraag om beschikt over meer informatie die zorgen baart, te overrulen en te kiezen voor de naast hogere code (in dit geval 1-D-0). Hetzelfde geldt voor een aanpassing die binnenkort staat te gebeuren in de Brabantse meldkamers, namelijk bij pijn op de borst, protocol 19. Harm: “Wanneer de patiënt jonger is dan 35 jaar en er is alléén sprake van thoracale pijn zonder verdere alarmsignalen en zonder cardiale voorgeschiedenis, dan maken we van de huidige A1-inzet een A2. De voorafkans dat er sprake is van een hartprobleem is dan heel laag. Waarschijnlijk is het iets anders, bijvoorbeeld een kneuzing, of long- of kraakbeenontsteking of maagprobleem.”

Aanpassing naar verwachting landelijk doorgevoerd De twee in dit artikel genoemde afschalingen zijn geen wijzigingen in AMPDS, maar in de vervolginzet. Aan protocol 1 of 19 of aan het tot stand komen van de besliscodes in ProQA verandert immers niets. Daarom hoeft dit type aanpassingen niet te verlopen via een verbetervoorstel aan de IAED. Het zijn de Medisch Managers Ambulancezorg (MMA) van alle regio’s samen die de Landelijke Urgentie Tabel (LUT) van tijd tot tijd bijwerken op basis van nieuwe inzichten. In de LUT staat voor elke besliscode die in ProQA bestaat, een minimaal veilige urgentie en inzet. Op basis van de LUT houdt elke meldkamer zelf een Regionale Inzet Tabel (RIT) bij, omdat inzetten per regio kunnen verschillen op basis van bijvoorbeeld afstanden, beschikbare capaciteit, afspraken in de keten en geografische omstandigheden. In Brabant heeft Harm de beide wijzigingen geregeld in de RIT. Zijn verwachting is dat de MMA’s zodra ze voor het eerst weer bij elkaar komen na corona, de aanpassingen centraal doorvoeren in de LUT zodat ze daarna in principe overal in de RIT terechtkomen.