‘Koude cijfers zeggen lang niet alles’

Kritiek van EDQ’s op data-analyse

Twee EDQ-teams hebben hun onvrede geuit over het artikel ‘Data-analyse toont veel onnodige inzetten aan’ in het vorige ProQA & AMPDS magazine. “Wanneer is een protocol echt verkeerd?”, schreef het EDQ-team van de meldkamer Oost-Brabant. “Er zijn soms meerdere keuzes mogelijk en niet alles is zo zwart-wit als vaak gedacht wordt.”

In het artikel werden de uitkomsten gepresenteerd van de analyse van 229.612 noodoproepen op Nederlandse ProQA-meldkamers in het jaar 2017. Onderzoeker Paul Engelen maakte melding van veel foute protocolkeuzes en het vaak onterecht overrulen van urgenties. Vanuit Oost-Brabant en Noord-Holland werd stevige kritiek ingestuurd op de bevindingen en op het artikel. “Het stuk schetst een beeld van niet goed functionerende centralisten en daarmee doet het ons allen tekort”, klinkt het vanuit Alkmaar en Haarlem. “Er zullen soms meldingen zijn waarbij een verkeerd protocol wordt gekozen, maar tegelijkertijd stelt de IAED dat er soms meerdere keuzes mogelijk zijn. De rigiditeit die aan ProQA wordt toegedicht is nooit de bedoeling geweest van de bedenkers van het systeem.”


Ten aanzien van het overrulen zeggen de EDQ’s uit Noord-Holland: “De landelijk vastgestelde urgenties zijn bedoeld als minimale inzet. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen wat in de individuele meldingen de reden van overrulen is geweest.” De briefschrijvers uit beide regio’s menen dat het op deze manier presenteren van de uitkomsten schadelijk is voor de reputatie en acceptatie van het triagesysteem, net nu het daarmee veel beter ging.

Grijze gebieden

De benadering in het dataonderzoek is nog die uit de begintijd van ProQA in Nederland, stellen de Brabantse EDQ’s Piet-Hein Verhagen en Chris Keijsers in een telefonische toelichting. “Toen waren we heel streng en dachten we dat dit de enige manier was om het systeem correct te hanteren. In de loop van de tijd zijn we daar anders naar gaan kijken. Het goed volgen van het protocol blijft essentieel, maar er zijn grijze gebieden.”

“Voor de juiste protocolkeuze ben je zeer afhankelijk van hoe de melder zich presenteert – gestrest? eisend? – en welke informatie hij of zij geeft”, aldus Piet-Hein. “Achteraf, of in een oefensituatie, is het makkelijk om te beoordelen of een betere protocolkeuze denkbaar was geweest. Maar in het gesprek zelf is dat lang niet altijd duidelijk en moet je in een split second keuzes maken.” Hij geeft het voorbeeld van letsel door het vallen van een fiets. Het meest passend is volgens de IAED protocol 30 (traumatisch letsel). Maar afhankelijk van het verhaal van de melder zijn ook protocol 17 (val) en 29 (verkeersongeval) een mogelijkheid.


Verschillende routes kunnen uiteindelijk leiden naar een zelfde codering, die past bij de aard en spoedeisendheid van het letsel. Dáár gaat het om, aldus Piet-Hein en Chris. “Stel dat een patiënt het benauwd heeft én pijn op de borst heeft, dan is van die twee protocollen een belangrijk deel van de sleutelvragen hetzelfde. Daardoor kom je uiteindelijk voor de hulpverlening op hetzelfde level uit.”















Chris: “Wanneer wij meldingen terugluisteren, vinden we een protocolkeuze alleen verkeerd als wij direct kunnen horen dat de centralist een onlogische weg op gaat. Maar vaak blijkt pas verderop in het gesprek dat een betere keuze mogelijk is. Als dit de centralist ontgaat, is het onze taak om hem of haar te coachen, trainen en begeleiden bij het keuzeproces. Maar echt fóut is de keuze pas wanneer de patiënt minder goede zorg krijgt, doordat een betere inzet of betere instructies mogelijk waren geweest.” Aqua, de nieuwe software die de EDQ’s gebruiken bij het scoren van meldingen, volgt diezelfde filosofie: “De focus is in Aqua veel meer komen te liggen op wat er goed ging. Voorheen begon het feedbackrapport direct met de kritische afwijkingen en dat drukte een zwaar stempel op het totaal.”


Ook op de omvang van het overrulen van huisartsverwijzingen valt volgens de EDQ’s wel wat af te dingen. Chris en Piet-Hein: “Het klopt dat, met name overdag, centralisten vaak toch voor een ambulance kiezen terwijl aan de code een huisartsverwijzing is gekoppeld. Maar voordat je dit als fout bestempelt, moet je naar onze mening dieper uitzoeken waaróm dit gebeurt. Als de patiënt zich in de openbare ruimte bevindt, gaat de huisarts daar niet naartoe. Misschien is dat overdag vaker het geval. Of wellicht gaat het om relatief veel fracturen, waarbij we tegenwoordig uitvragen of er sprake is van een afwijkende stand van het gewricht. In 2017 zat die vraag nog niet in ProQA. Bij een afwijkende stand sturen we nu een ambulance; voorheen kwam er een huisartsverwijzing uit die dan terecht werd overruled. Data-analyse is nuttig, maar de koude cijfers zeggen niet altijd meteen alles.”

Concrete actie

Die kritiek heeft ook het overleg van de Medisch Managers Ambulancezorg (MMA’s) bereikt. Namens hen laat Harm van de Pas weten dat het MMA-overleg op 18 april de data-analyse bespreekt. Harm: “We moeten de nuance zoeken. Ja, centralisten permitteren zich soms vrijheden die het systeem onveiliger zouden kunnen maken. Maar de IAED gunt de centralist ook zeker wel bepaalde vrijheden. Op dat gebied is ProQA volop in ontwikkeling. Nader dataonderzoek vind ik nu niet per se nuttig, ik denk dat we het moeten zoeken in concrete actie en vooral op het gebied van scholing en kwaliteit. Als alle ProQA-meldkamers in Nederland voortvarend met het behalen van de ACE-status aan de slag gaan, dan volgen we over een tijdje allemaal aantoonbaar de werkwijze zoals die bedoeld is. Dan zou dit uiteindelijk geen punt van discussie meer moeten zijn.”