‘Niet verwacht dat je ook telefonisch zorg kan geven’

Ambulanceverpleegkundige en verpleegkundig centralist

Wendy van der Schaft

RAV Hollands Midden

Wendy van der Schaft is een van de vermoedelijk zeer weinige collega’s in het land met een combinatiebaan als ambulanceverpleegkundige en verpleegkundig centralist. “Ik wil beide niet meer missen.”

In gesprek met Wendy:

Hoe ben je tot deze combinatie gekomen?

“Achttien jaar werk ik al op de ambulance, op mijn 24e begon ik aan de opleiding. Ik was er vroeg bij en ik vind het nog steeds een prachtig vak. Maar ik kreeg de laatste jaren last van uitval van mijn polsen. Meermalen ben ik eraan geopereerd. Ik ging nadenken over minder belastend werk. Mijn man, die ook op de ambulance werkt, bracht de meldkamer ter sprake. Eerst dacht ik dat dit niet bij me zou passen, omdat ik nogal energiek ben. Maar na een stagedag bleek dat ik een verkeerd beeld van het centralistenwerk had. Het past juist goed bij me. Ik heb de opleiding net afgerond. Het werk op de ambulance ben ik er steeds bij blijven doen. In een 50-50 verhouding hoop ik fysiek een werkbare balans te vinden.”

Wat heb je gevonden in het centralistenwerk dat je niet had verwacht?

“Ik heb gemerkt dat het een echte uitdaging kan zijn om de juiste informatie uit de melder te krijgen. Dat is soms heel lastig en je bent heel afhankelijk van degene die je aan de telefoon hebt. Het is prachtig om iemand die angstig of in paniek is, toch meewerkend te krijgen waardoor je de collega’s op de ambulance goed kunt informeren. En ik kan starten met hulp geven aan de hand van instructies, wat het verschil kan maken voor een patiënt.”

Helpt het dat je de positie op de ambulance zo goed kent?

“Dat helpt enorm. Ik kan de situatie door de ogen van de collega’s voor me zien. Ik denk automatisch mee over hoe ze bij de patiënt kunnen komen en hoe ze er weer wegkomen. Ik ken de regio en ik ken veel collega’s, al ken ik ze tegenwoordig lang niet meer allemaal. Als je elkaar kent, praat dat makkelijker en geeft het meer begrip van processen. Daarom zou ik voorstander zijn van meer bij elkaar in de keuken kijken. Natuurlijk heb ik ook voordeel van mijn ervaring in het preklinisch redeneren. Zo kan ik me eerder een beeld vormen van welke zorg op dat moment van belang is voor de patiënt.”

Veel rijdienstmedewerkers zijn, of waren, kritisch over ProQA. Ben jij nu als centralist pro-ProQA?

“Uit de tijd van vóór ProQA herinner ik me vooral dat iedereen constant met iedereen kon meeluisteren. Het was vaak rumoerig in de ether. Ongewild was je steeds aan het meedenken met meldingen waar je zelf helemaal niet op aan het rijden was. Na de invoering van ProQA moest ik wennen aan de rust. Maar het gaf wel meer focus. Als je nu wordt geroepen, weet je zeker dat het voor jou is. Ik ben verder nooit pro of contra ProQA geweest. Als de meldkamer me vraagt om te gaan, ga ik en dan zien we wel wat we tegenkomen. Al herken ik natuurlijk wel dat de melding en de realiteit soms flink uiteen kunnen lopen en dat je achteraf denkt: Moest dit nou onder A1?”

Vind je het niet vervelend dan?

“Nu ik ook de melders hoor, begrijp ik beter hoe dingen soms gaan. Maar het is trouwens al veel minder dan in het begin. Je kan duidelijk merken dat veel urgenties tussentijds zijn herzien. Het systeem is in ontwikkeling. En ProQA is nu eenmaal een ‘veilig ingesteld’ systeem. Als centralist heb ik daar profijt van. Het trekt mij goed door de melding heen, ook op de momenten dat ik bij een heftige situatie van m’n a propos gebracht zou kunnen worden. Met de instructies kan ik de melder goed ondersteunen. Ik vind het een mooi systeem en wil de mogelijkheden nog veel meer gaan uitpluizen.”

Dus je hebt een tweede roeping gevonden?

“Het kwam een beetje uit nood geboren op m’n pad, maar ik laat dit zeker niet meer los. Ik heb naast het ambulancewerk, dat ik ook niet wil missen, er iets moois bij gekregen. Op mijn 16e koos ik al voor de zorg en dit is weer een andere manier van zorg geven. Ik had niet verwacht dat dit via de telefoon ook kon.”

Wendy van der Schaft