‘Recente groei spoedinzetten komt niet door triagesystemen’

Oorzaak van meer spoedritten is toename
112-meldingen

Na de invoering van de triagesystemen ProQA en NTS in ons land, vanaf 2011, ging het aantal spoedinzetten van ambulances flink omhoog. De systemen werken dus meer spoedritten in de hand, luidde al snel de hardnekkige veronderstelling bij het publiek, media en kritische medewerkers. Die aanname berust maar voor een stukje op waarheid, blijkt nu.

In opdracht van Ambulancezorg Nederland dook onderzoeksbureau SiRM in de meldkamerdata, om de rol van triagesystemen bij de toename van spoedinzetten grondig te onderzoeken. In april kwam de eindconclusie. “De invoer van triagesystemen tussen 2011 en 2014 heeft waarschijnlijk wel tot een éénmalige toename van spoedinzetten geleid”, concludeert SiRM. “Eén van de redenen om triagesystemen in te voeren, was immers: ondertriage tegengaan. Om ondertriage te voorkomen, is meer overtriage onvermijdelijk.”


Die eenmalige toename was bij de ProQA-meldkamers groter dan in NTS-regio’s, mede omdat ProQA een ‘voorzichtiger’ systeem is waarbij volgens protocol vaker voor een spoedinzet wordt gekozen; en waar een spoedinzet ook vaker een A1-urgentie is. Maar de toename uit de periode 2011 tot 2014 vlakte ook weer af naarmate beide systemen werden aangescherpt en centralisten er beter mee leerden omgaan, stelt SiRM.

In de urgentietabel behorend bij ProQA werden na de eerste jaren vele tientallen urgentiecodes naar beneden bijgesteld, omdat uit feedback van gebruikers was gebleken dat de inzet structureel te hoog was.

Meer 112-meldingen

Vanaf 2015 is er echter iets anders aan de hand, concludeert SiRM. De toename van spoedinzetten in de afgelopen paar jaren wordt veroorzaakt door een toename in 112-meldingen. “Circa een kwart van deze toename is het gevolg van vergrijzing, groei van de bevolking en het thuis blijven wonen van kwetsbare ouderen. De oorzaken van de overige driekwart lijken vooral de mondigere en minder zelfredzame burger te zijn en de slechtere bereikbaarheid van de huisarts.” SiRM vindt het aannemelijk dat een deel van de minder urgente zorgvragen is terechtgekomen bij de ambulancezorg.


Ger Jacobs, directeur van de RAV Brabant Midden-West-Noord herkent die ontwikkeling maar al te goed. “Stijgende vraag naar acute zorg zie je overal in West-Europa. En overal leidt dit tot meer spoedinzetten, grote drukte in de keten en het zoeken naar oplossingen door middel van onder meer zorgcoördinatie.” Ger ziet in de uitkomsten van het SiRM-onderzoek een bevestiging van wat hij zelf al een tijdje waarneemt: “AMPDS en NTS hebben allebei sterke punten en kunnen kennelijk vrij probleemloos naast elkaar bestaan. De wrijving die er in het begin was van beide kanten is nu snel aan het wegebben.”

Zorgcoördinatiecentra

Hij vindt dit mede interessant in het licht van een andere ontwikkeling, die alles te maken heeft met het oplossen van de drukte in de keten. Ger: “Op korte termijn mogen diverse regio’s in Nederland van het ministerie pilots gaan houden met zogeheten zorgcoördinatiecentra, waarin partijen uit de witte keten gezamenlijk triëren. Ook wij willen graag zo’n proef houden, in de Bossche regio. De melder of patiënt wordt dan via één loket naar de best passende zorg geleid en de capaciteit wordt optimaal benut. Per regio zijn varianten en andere combinaties van spelers mogelijk. Het kan zo zijn dat de ambulancezorg, ziekenhuis, huisartsen, GGZ, thuiszorg en andere partijen – die nu vaak met verschillende triagesystemen werken – dan opnieuw samen kiezen voor een systeem dat het beste bij bij deze ontwikkeling past.”


SiRM waagt zich in het rapport niet aan een waardeoordeel over de verschillen tussen NTS en ProQA. Daarvoor zijn veel meer data nodig uit de keten. Zonder patiëntuitkomsten is bijvoorbeeld niet te zeggen of ProQA misschien óvertrieert, of dat NTS misschien óndertrieert. “Ze groeien naar elkaar toe”, stelt Hans Janssen, directeur van de RAV Zuid-Holland Zuid. “AMPDS wordt gaandeweg iets soepeler en NTS iets strenger.” Het vermengen van triagesystemen bij het ontstaan van zorgcoördinatiecentra, lijkt Hans niet wenselijk. Hij ziet ook niet gebeuren dat de Amerikaanse eigenaar van AMPDS daar ruimte voor geeft. “Als we in Nederland zorgcoördinatiecentra krijgen, zou daar volgens mij één taal gesproken moeten worden. Dat wordt een uitdaging. Ik zou een voorkeur hebben voor het voorzichtigste triagesysteem, waarbij je dan nieuwe afspraken maakt met de nieuwe partners over wat in elke situatie de optimale inzet is.”